Naar inhoud springen

Jeugdliteratuur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Kinderboek)
Kind leest boek
Kinderboekhandel te Utrecht

Jeugdliteratuur, ook wel kinder- en jeugdliteratuur, is literatuur die kinderen (tot twaalf jaar) en jongeren (tot achttien) aanspreekt en meestal speciaal voor hen is geschreven. De onderwerpen focussen op hun wereld en klinken in hun taal. Tussen de jeugdliteratuur en de volwassenenliteratuur zit een overgang: de adolescentenliteratuur, voor jongeren vanaf ongeveer 18. Deze adolescentenliteratuur wordt tegenwoordig ook wel aangeduid als young adult.

Het belang van de jeugdliteratuur blijkt uit de prijzen als de Zilveren en de Gouden Griffel, het Centraal Bestand Kinderboeken en de catalogus van de Nederlandse kinderboekencollecties. Boeken voor jongeren zijn vaak vanuit een ontdekkende of een morele sfeer geschreven: de schrijver hoopt dat men een 'goed' mens zal worden. Veel voorkomende thema's zijn 'opkomen voor je mening', 'de democratie' en 'men moet zijn geschiedenis kennen', zoals bij klassieke auteurs als Jan Terlouw en Thea Beckman.

Classificatie

[bewerken | brontekst bewerken]
Jeugdliteratuur in BLI:B, openbare bibliotheek Vorst

Kinder- en jeugdliteratuur worden vaak samen vermeld, hoewel de leeftijdsgroep grote psychologische en taalverschillen kent. Het onderscheid tussen kinder- en jeugdliteratuur, tussen adolescenten en jongvolwassenen is kunstmatig en evolueert met de tijd. Schrijvers als Anne Provoost, Ed Franck en Bart Moeyaert schrijven vaak in alle categorieën. Hun emotionele inleving verwijst naar de kindertijd, de jeugdfase en de volwassen periode.

De oudste Nederlandse kinderboeken heten 'hanenboekjes'. Deze waren bedoeld om te leren lezen. Er stonden alfabetten in, verschillende letters en gebeden. De boekjes begonnen met een plaatje van een haan, om kinderen aan te sporen vroeg op te staan en naar school te gaan. Het oudste kinderboek dat de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag bezit, stamt uit 1521.

Een van de eerste schrijvers die zich op kinderen richtte, was de 17e-eeuwse Londense predikant James Janeway. De eerste Nederlandse schrijver die speciaal voor kinderen schreef, was Hieronymus van Alphen. Zijn vers De pruimeboom uit 1778, met de beginregels 'Jantje zag eens pruimen hangen, O! als eieren zo groot', was opvoedend. In 1856 verscheen De nieuwe rijschool, het eerste Nederlandse beweegbare prentenboek voor kinderen. In de twintigste eeuw kwamen er ineens boeken over 'stoute kinderen': Dik Trom, Pietje Bell, Kruimeltje en Pippi Langkous.

Met de komst van Bruintje Beer (Daily Express, 1920; Algemeen Dagblad, 1929) kwam de merchandising binnen de kinderboekenwereld op gang. Omvangrijke (historische) collecties kinderboeken bevinden zich in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. In het Groningse Winsum staat het Kinderboekenmuseum van Toos Zuurveen, de auteur van Van Zedenleer tot Bruintje Beer.

In Das Märchen und die Fantasie des Kindes verbond Charlotte Bühler (1893-1974) de leeftijd met verschillende leesfasen. Tegenwoordig houdt men meer rekening met de emotionele ontwikkeling van het kind. Het zijn de ouders die hun kind volgen en weten welk niveau het heeft. Toch houdt het onderwijswezen nog rekening met ontwikkelingskenmerken gerelateerd aan leeftijdsfasen. Hiervoor is een AVI-indeling ontwikkeld. Ook schrijvers en uitgeverijen spitsen zich bij hun doelgroepen toe op leeftijden.

Voor baby's zijn er bakerrijmpjes waarbij ritme, klank, rijm, woord en beweging centraal staan. Deze rijmpjes zijn de voortzetting van de schommelwieg. Ze stimuleren de ontwikkeling en het gevoel voor taal. Het ritme en de warmte van de stem van moeder en/of vader zijn het belangrijkst. Miep Diekmann met Wiele wiele stap (vanaf twee jaar), Geert De Kockeres Een fruitje van zilver en Annie M.G. Schmidts Ik ben lekker stout (voor oudere peuters) zijn voorbeelden.