Naar inhoud springen

Rederijker

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Goudblommisten uit Sint-Niklaas, tijdens een voorstelling in 1635.
Blazoen van de rederijkerskamer De Kersouwe van Oudenaarde
Blazoen van de rederijkerskamer de Goudsbloem van Gouda: verheven retorica door wysheit triompheert, beneyn haer Catrine en naerstigheit floreert.
Fragment uit het manuscript "Gedichten" van Anna Bijns. Bewaard in de Universiteitsbibliotheek Gent.[1]
Rederijkers (Jan Steen)

Rederijkers waren lokale gezelschappen van amateurdichters en voordrachtkunstenaars die zich vanaf de late middeleeuwen gingen organiseren in Rederijkerskamers. Zij waren gespecialiseerd in het beoefenen van de "Ars Retorica".[2] Omdat deze kamers een feodale structuur kenden, werden de meesten afgeschaft tijdens de Franse Revolutie. In de 19e eeuw kwam een kortstondige 2e bloeiperiode.

De rederijkers waren een groep mannen van burgerlijke en adellijke komaf, meestal uit dezelfde stad of provincie, die regelmatig bijeenkwamen om poëzie voor te dragen. Zij sponsorden ook publieke festivals met parades en toneelspektakel. De rederijkerskamers spiegelden zich daarbij aan al bestaande broederschappen uit Artesië, de zogenaamde 'carité' en de 'Puy'.[3]

De eerste Nederlandstalige 'kamers' ontstonden in Vlaanderen en Brabant, vaak uit groepen die de ghesellen vander kercke werden genoemd.[4] De eerste rederijkersgezelschappen werden opgericht in de eerste helft van de vijftiende eeuw. Den Boeck uit Brussel werd aan het begin van de vijftiende eeuw opgericht en is waarschijnlijk de oudste rederijkerskamer.[5]

We kunnen De Heilige Geest in Brugge, die naar alle waarschijnlijkheid in 1428 of 1429 werd gesticht, beschouwen als de oudste volwaardige rederijkerskamer. De echte doorbraak van de vroege rederijkerscultuur dienen we in de jaren 1440 te situeren. In Ieper zou ook al vroeg een rederijkerskamer, genaamd Alpha en Omega, gesticht zijn.

In 1448 werden in Gent de statuten van De Fonteine door het stadsbestuur goedgekeurd. Dat is meteen de oudste institutionele tekst voor een rederijkerskamer. Hij geeft een bijzonder goed beeld van zowel de religieuze als de literaire taakopvatting van de vroege rederijkers. De leden van De Fonteine legden zich in groepsverband toe op het beoefenen van het genre van de refreinen: om de drie weken werd op zondagmiddag een dichtwedstrijd georganiseerd. Daarnaast verzorgde deze kamer toneelopvoeringen in – en occasioneel ook buiten – de stad. De devotie aan de patroonheilige en de bijbehorende religieuze cultus kenmerkten de activiteiten van het gezelschap in belangrijke mate.

Vrij snel na de oprichting van De Fonteine ontstonden in Gent nieuwe rederijkerskamers: Sint-Barbara (vóór 1458), Sint-Agnete (1469) en Mariën Theeren (1478). Pas na de val van Antwerpen (1585) begon de bloeiperiode van de rederijkerij in Holland. In de Zuidelijke Nederlanden werden te kritische rederijkers door de Spaanse bezetters immers opgepakt en geëxecuteerd zodat heel wat schrijvers uitweken naar het noorden.

De leden van deze verenigingen noemden zich naar Frans voorbeeld rhétoriqueurs, waarvan rederijkers een verbastering is. Tegen het einde van de 15e eeuw hadden deze gezelschappen 'vander Rethorique' vooral in Vlaanderen een aanzienlijke culturele en maatschappelijke macht verworven. Later volgden ook Brabant, Zeeland en Holland.

Er werden onder meer dichterswedstrijden ingericht waarbij de vorm van het gedicht onderworpen was aan strenge regels. Behalve de populaire ballade waren ook andere dichtvormen zoals het rondeel, het ketendicht en het acrostichon erg in trek. Tijdens 'landjuwelen' gingen de verschillende rederijkerskamers met elkaar in competitie. De naam "rederijker" komt dus van het Franse rhétoriqueurs.

Deze 'kamers' zouden de Nederlandstalige literatuur vanaf de 15e tot een stuk in de 16e eeuw beheersen. Bijna iedereen die zich met literatuur bezighield werd lid van een rederijkerskamer of was er nauw bij betrokken. Zo schreef Joost van den Vondel na de stichting van "Den Amsterdamschen Schouwburg" (de bekroning van het rederijkersleven) in 1637 zijn Gijsbreght van Aemstel voor de inwijding van dit eerste Nederlandse nationale theater.

Mogelijk de bekendste en talentrijkste 'rederijker' was de Antwerpse dichteres Anna Bijns, die meesterlijke "refereinen" (gedichten) schreef die met de beste van de rederijkers kon wedijveren. Waarschijnlijk zal ze omwille van haar sekse geen lid geweest zijn van een rederijkerskamer. Het verbitterde haar dat ze ondanks haar kunst geen aanspraak kon maken op de status van rederijker. Het verplichtte haar ook om aan minder hoogstaande evenementen deel te nemen, waar het publiek niet altijd even fijngevoelig was. In een variant van 'parels voor de zwijnen zei ze in een 'refreyn' hierover:

"Tes verlooren Rosen voor soghen ghestroydt"

Andere bekende rederijkers waren de dichter Anthonis de Roovere die in Brugge op 17-jarige leeftijd tot 'Prince' werd verkozen, en Peter van Diest, de auteur van de succesrijke moraliteit Elckerlijc.

Er waren ook wedstrijden om uit te maken welke rederijkersgroep het beste toneelstuk schreef en opvoerde. Deze wedstrijden heetten landjuwelen (voor wedstrijden tussen Brabantse kamers) en haagspelen (voor alle kamers).

De aankondigingen voor een landjuweel of een haagspel werden vaak al lang voor de wedstrijd zelf verstuurd. De uitnodiging voor zo'n wedstrijd heet een kaart. Met de kaart werden ook de opdrachten en de prijzen genoemd. Vaak werd er tijdens een wedstrijd in verschillende onderdelen geconcurreerd. Voorbeelden van winnende stukken zijn Elckerlijc en Mariken van Nimwegen. De winnaar kreeg de prijs en moest de volgende keer de wedstrijd organiseren (dit laatste gold niet voor een haagspel).

Rederijkers hielden zich ook veel bezig met poëzie. Naar de inhoud onderscheidden ze gedichten 'in 't amoureuze' (met de liefde als thema), 'in 't vroede' (ernstige en moraliserende gedichten) en 'in 't sotte' (komische, soms ook scabreuze poëzie). Vooral complexe dichtvormen waren geliefd, met herhaling van versregels, en rijmklanken. Hierbij stonden vorm en taalbeheersing centraal waardoor hun poëzie soms gekunsteld overkomt.

Vormen van rederijkerspoëzie zijn:

  • het Spiegeldicht: waarbij dichtregels op gegeven moment gespiegeld werden met één (of soms geen) unieke regel er tussen
  • Kwadrant: Woorden die binnen een vierkant staan en die steeds op elkaar aansluiten zodat er altijd een nieuw, correct, woord gevormd wordt
  • het Rondeel: waarbij de regels herhaald worden en zo een rondlopend effect geven
  • Retrograde: een dichtvorm die je zowel van voor als van achter kan lezen

Rederijkerskamers

[bewerken | brontekst bewerken]

Zie: Lijst van rederijkerskamers

Beroemde rederijkers uit het verleden

[bewerken | brontekst bewerken]
  • Tekst van